Welke noodverlichtingpictogrammen gebruik ik op welke plek?
Om antwoord te geven op de vraag: welke noodverlichtingpictogrammen gebruik ik op welke plek, kunnen we onszelf eerst de vraag stellen waarom er pijlen op de noodverlichtingspictogrammen staan? Het antwoord is simpelweg hierop: om de vluchtrichting aan te geven. Om verwarring en paniek bij een ontruiming te voorkomen is het dan ook slim om mensen via de pictogrammen zo snel mogelijk naar buiten te wijzen. En dus bijvoorbeeld geen twee pictogrammen in tegenovergestelde richting bij elkaar te plaatsen. Wij vertellen je hoe dit zit volgens de noodverlichting eisen.
Welke pictogrammen gebruik je op welke plek?
Pijl omhoog
Een pictogram met pijl omhoog wordt ingezet bij een vluchtrichting rechtdoor of omhoog. Bij een vluchtrichting via de trap naar boven is dit pictogram wenselijk omdat omhoog vluchten geen natuurlijke vluchtrichting is.

Pijl omlaag
Het pictogram met de pijl naar beneden kun je toepassen bij een vluchtrichting naar beneden. Als de vluchtroute via de trap naar beneden loopt is dit in veel gevallen wel duidelijk waardoor een aanduidingsarmatuur met pictogram overbodig is.

Pijl rechts
Het pictogram met de pijl naar rechts geeft een richtingsverandering van de vluchtweg aan, in dit geval naar rechts.
Pijl links
Een pictogram waarbij de pijl naar links wijst geeft een richtingsverandering van de vluchtweg aan, in dit geval naar links.
Brandblusser / Brandslanghaspel
De norm NEN-EN 1838 staat dat nabij elk onderdeel van brandblusapparatuur noodverlichting met 5 lux geplaatst moet worden. Het plaatsen van een pictogram bij brandblusapparatuur helpt om nog meer aandacht hierop te vestigingen, zodat mensen sneller gebruik kunnen maken van de apparatuur. Ideaal hiervoor is een combinatiearmatuur, welke bestaat uit combinatie van vluchtwegaanduiding en vluchtwegverlichting. Zo kun je met één armatuur de brandblusapparatuur met 5 lux aanlichten en nog meer laten opvallen door het gebruik van onderstaande pictogrammen.
Noodverlichting van Famostar
Al 65 jaar zijn wij specialist in noodverlichting. Al onze noodverlichting wordt ontworpen en geproduceerd in Velp. We besteden aandacht aan de verduurzaming van onze producten en ons bedrijf. Dat doen we door onderzoek naar materialen en herkomst hiervan. Onze NiMH accutechnologie zorgt bijvoorbeeld voor de minste belasting op het milieu en is het best recyclebaar. Op de nieuwe accu’s wordt dan ook 8 jaar accugarantie gegeven. We ontwikkelen onze producten voor een lange levensduur daarom geven we 10 jaar garantie op de armaturen.
Gerelateerde kennisbank artikelen
De beschermingsgraden tegen water- en stofdichtheid voor noodverlichting worden uitgedrukt in een IP-waarde. Een IP-waarde bestaat uit twee cijfers.
Sinds 2021 is er een vernieuwde versie van de NEN 3011 met de mogelijkheid om een specifieke route aan te duiden voor ‘personen met een mobiliteitsbeperking’.
Afstandstabellen zijn nodig om noodverlichting te projecteren. Met een voorbeeld leggen we je uit hoe je de afstandstabellen moet gebruiken.
Veelgestelde vragen over noodverlichting
Boven een nooduitgang hoort een pictogram te hangen dat voldoet aan NEN-EN ISO 7010 en de NEN-3011. Volgens NEN-EN 1838 moet het pictogram altijd duidelijk zichtbaar en goed verlicht zijn, en het Bbl vereist dat de vluchtroute herkenbaar en ondubbelzinnig wordt aangeduid.
De nieuwe en meest gebruikte norm voor noodverlichting is NEN-EN 1838, die de functionele eisen voor vluchtwegverlichting en anti-paniekverlichting beschrijft. Daarnaast blijft NEN-EN 50172 relevant voor het organiseren van beheer, onderhoud en periodieke testen. In de praktijk werk je dus met NEN-EN 1838 voor de lichttechnische eisen en met NEN-EN 50172 voor de organisatorische eisen, terwijl het Bbl de wettelijke basis vormt waar de noodverlichting uiteindelijk aan moet voldoen.
Een rood lampje op de noodverlichting betekent meestal dat het armatuur een storing heeft en niet volledig voldoet aan de eisen uit NEN-EN 50172, die voorschrijft dat gebreken zichtbaar moeten worden gemeld. Een rood signaal duidt bijvoorbeeld op een defecte accu, een fout in de elektronica, een mislukte automatische zelftest of een probleem met de netvoeding. In alle gevallen geeft het rode lampje aan dat het armatuur niet meer bedrijfszeker is en daarom zo snel mogelijk moet worden gecontroleerd en hersteld om aan het Bbl en de functionele eisen uit NEN-EN 1838 te blijven voldoen.
Een kenmerk van een nooduitgang is dat deze altijd direct en veilig toegang biedt tot een veilige plaats, zoals voorgeschreven in het Bbl. Een nooduitgang moet vrij begaanbaar zijn, duidelijk herkenbaar worden aangeduid met een NEN-EN ISO 7010-pictogram, en voorzien zijn van goed zichtbare en functionerende noodverlichting volgens NEN-EN 1838. Daarnaast moet de deur in de vluchtrichting kunnen worden geopend zonder sleutel of extra handelingen, zodat mensen in een noodsituatie snel kunnen vluchten.
De bordjes die boven (nood)uitgangen hangen om de vluchtroute aan te geven, worden vluchtweg- of nooduitgangspictogrammen genoemd. Ze volgen de standaard van NEN-EN ISO 7010 en tonen een wit rennend mannetje op een groene achtergrond, vaak met een pijl die de richting van de vluchtweg aangeeft. Volgens NEN-EN 1838 en het Bbl moeten deze pictogrammen altijd goed verlicht en duidelijk zichtbaar zijn, zodat de vluchtroute in een noodsituatie direct te herkennen is.
Het symbool voor een nooduitgang is een wit rennend mannetje op een groene achtergrond, vaak gecombineerd met een pijl die de richting van de vluchtweg aangeeft, zoals vastgelegd in NEN-EN ISO 7010. Dit symbool wordt gebruikt om de locatie en richting van de nooduitgang duidelijk te maken en moet volgens NEN-EN 1838 altijd goed verlicht en zichtbaar zijn, zodat het voldoet aan de functionele eisen uit het Bbl.
De grootte van nooduitgangspictogrammen hangt af van de afstand van waaruit ze zichtbaar moeten zijn en de zichtlijnen in het gebouw, zoals beschreven in NEN-EN 1838. Voor de meeste situaties geldt dat de kijkafstand 2 maal de hoogte van de pictogram is. De pictogrammen moeten zodanig worden geplaatst dat ze duidelijk zichtbaar zijn vanaf ooghoogte van een volwassene, meestal op een hoogte van 2 tot 2,5 meter boven de vloer, zodat ze niet worden geblokkeerd en goed opvallen in geval van spanningsuitval, rook of paniek, in lijn met de functionele eisen uit het Bbl.
Er zijn verschillende noodverlichtingspictogrammen, ieder met een specifieke functie om vluchtwegen en noodvoorzieningen aan te duiden, zoals vastgelegd in NEN-EN ISO 7010. Het meest gebruikte pictogram is het witte rennende mannetje op een groene achtergrond met een witte pijl in de juiste richting. Daarnaast bestaan er pictogrammen voor specifieke functies, zoals blusmiddelen, brandmelders en verzamellocaties, die de locatie van veiligheidsvoorzieningen aangeven. Volgens NEN-EN 1838 moeten al deze pictogrammen goed verlicht en duidelijk zichtbaar zijn, zodat ze in een noodsituatie direct herkenbaar zijn, wat ook een vereiste is volgens het Bbl.
De norm en regelgeving stellen dat pictogrammen voor noodverlichting duidelijk, herkenbaar en uniform moeten zijn om de veiligheid van personen te waarborgen. Volgens NEN-EN ISO 7010 moeten de symbolen altijd een wit pictogram op een groene achtergrond hebben en waar nodig een pijl die de richting van de vluchtweg aangeeft. NEN-EN 1838 schrijft daarnaast voor dat deze pictogrammen goed verlicht en zichtbaar moeten zijn, zelfs bij stroomuitval of rookontwikkeling. Het Bbl vereist dat vluchtroutes en nooduitgangen zodanig worden aangeduid dat iedereen in een noodsituatie snel en veilig de uitgang kan vinden. Ook moet het beheer en onderhoud van de verlichting voldoen aan NEN-EN 50172, zodat de pictogrammen altijd functioneel blijven.
Een pijl omhoog mag gebruikt worden wanneer de vluchtroute rechtdoor loopt en er geen afwijking naar links of rechts is, zoals beschreven in NEN-EN ISO 7010. Het pictogram met het rennende mannetje en een pijl omhoog geeft aan dat de nooduitgang recht vooruit ligt. Volgens NEN-EN 1838 moet de pijl altijd de daadwerkelijke looprichting van de vluchtweg weergeven en goed zichtbaar en verlicht zijn, zodat de vluchtweg duidelijk te volgen is in overeenstemming met de functionele eisen uit het Bbl.
Het juiste pictogram voor een specifieke locatie kies je op basis van de richting en functie van de vluchtweg. In een rechte gang gebruik je bijvoorbeeld een pictogram met een pijl omhoog om aan te geven dat de nooduitgang recht vooruit ligt. Bij een bocht of splitsing kies je een pictogram met een pijl naar links of rechts die de juiste looprichting toont. Bij een trap wordt een pictogram gebruikt dat een trap in de richting van de vluchtweg aangeeft, zodat mensen direct begrijpen dat ze moeten afdalen of omhoog moeten gaan. Volgens NEN-EN 1838 en het Bbl moet elk pictogram altijd goed zichtbaar en verlicht zijn, zodat de vluchtroute onder alle omstandigheden duidelijk herkenbaar blijft.
Een vluchtroute herken je aan de combinatie van goed zichtbare noodverlichtingsarmaturen en pictogrammen, zoals voorgeschreven in NEN-EN 1838 en NEN-EN ISO 7010. De route wordt aangegeven met groene pictogrammen van een rennend mannetje en pijlen die de richting van de uitgang aangeven, en eventueel extra markering op vloeren of wanden. Volgens het Bbl moet een vluchtroute altijd vrij van obstakels zijn en zodanig worden aangeduid dat iedereen in een noodsituatie snel en veilig de uitgang kan bereiken. De verlichting langs de route moet ook bij stroomuitval werken, zodat de route duidelijk zichtbaar blijft.





